
Jurisprudentie
AX6474
Datum uitspraak2006-05-18
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/3412 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/3412 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vergoeding van tandartskosten van burgeroorlogsgetroffene afgewezen op de grond dat de gebitsklachten niet samenhangen met oorlogservaringen.
Uitspraak
05/3412 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).
Datum uitspraak: 18 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 13 april 2005, kenmerk JZ/K70/2005, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogs-slachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Daar heeft appellant zich doen vertegenwoordigen door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren [in] 1934 in het voormalige Nederlands-Indië, is bij besluit van verweerster van 16 april 1998 erkend als burger-oorlogsslachtoffer als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Wet. Blijkens het aan dit besluit ten grondslag liggende medisch advies heeft verweerster aanvaard dat bij appellant sprake is van tot blijvende invaliditeit leidend psychisch letsel in verband met zijn oorlogservaringen.
Bij schrijven van 20 januari 2004 heeft appellant bij verweerster een aanvraag ingediend om vergoeding van tandartskosten. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 9 augustus 2004 op de grond dat de gebitsklachten van appellant niet samenhangen met zijn oorlogservaringen. Verweerster heeft hierbij het standpunt gevolgd van haar tandheelkundig adviseur M. Schächter en haar geneeskundig adviseur R. van Gorkum, welke laatste bij eiser een specifiek op de tandheelkundige problemen gericht onderzoek heeft verricht. Na door appellant gemaakt bezwaar heeft verweerster bij het thans bestreden besluit haar afwijzing gehandhaafd.
De Raad overweegt als volgt.
Verweerster stelt zich op het standpunt dat door appellant niet is voldaan aan de door haar in het kader van een aanvraag tot vergoeding van gebitskosten ontwikkelde en gehanteerde richtlijnen, waarbij, wil een causaal verband tussen gebitsklachten en het oorlogsgeweld kunnen worden aanvaard, de volgende criteria gelden:
- er dient sprake te zijn geweest van een (geverifieerde) internering in een kamp of van een ander soort vrijheidsberoving;
- bedoelde vrijheidsberoving dient tenminste zes maanden te hebben geduurd;
- betrokkene mag aan het einde van die vrijheidsberoving niet ouder zijn geweest dan veertien jaar;
- er moet sprake zijn geweest van een door de jaren heen consistente anamnese van tandheelkundige problemen vanaf de oorlog.
Naar de Raad eerder heeft uitgesproken acht hij het in overeenstemming met een redelijke wetstoepassing dat verweerster deze richtlijnen hanteert bij de beoordeling van aanvragen voor tandheelkundige behandelingen.
In het geval van appellant acht verweerster niet voldaan aan de laatstgenoemde voorwaarde voor vergoeding. Verweerster acht in het geval van appellant niet gebleken van een “rode draad” van gebitsproblemen vanaf de oorlog tot in het heden. Verweerster heeft daarbij besloten ten aanzien van appellant niet van haar hiervoor weergegeven beleid af te wijken en de periode vóór 1962 niet buiten beschouwing te laten, zoals door tandheelkundig adviseur M. Schächter voornoemd in bezwaar alsnog was voorgesteld in verband onder meer met het verblijf van appellant in Nieuw Guinea en het gebrek aan tandheelkundige voorzieningen aldaar.
De Raad is van oordeel dat verweerster op goede gronden heeft besloten niet af te wijken van haar hiervoor weergegeven en door haar consequent toegepaste richtlijnen en ook in het geval van appellant vast te houden aan haar uitgangspunt dat er vanaf de oorlog sprake moet zijn van consistente gebitsproblemen, aangezien alleen dan de gebitsproblemen tot de oorlog kunnen worden teruggevoerd. De Raad stelt vast dat in het geval van appellant gegevens omtrent gebitsproblemen ontbreken tot hij in 1962 zich in Nederland vestigde en voor het eerst onder tandheelkundige behandeling stelde. De Raad acht in dit verband van belang dat gegevens omtrent gebitsproblemen bij appellant ontbreken niet alleen over de periode dat appellant in Nieuw Guinea verbleef en zich geconfronteerd zag met slechte tandheelkundige voorzieningen, maar ook over de periode vanaf de oorlog tot zijn vertrek naar Nieuw Guinea in 1949 of 1950. Appellant heeft tijdens de eerdere procedure die heeft geleid tot zijn erkenning als burger-oorlogsslachtoffer noch tegenover de sociaal rapporteur, noch tegenover de keurend arts J.H. Husken melding gemaakt van gebitsproblemen in de periode vlak na de oorlog. Nu uit de tandheelkundige en andere gegevens geen consistent klachtenpatroon vanaf de oorlogsjaren naar voren komt, heeft verweerster naar het oordeel van de Raad terecht geoordeeld dat niet is vast te stellen dat appellants gebitsproblemen tot de oorlog terug gaan.
Dit betekent dat het beroep van appellant ongegrond verklaard moet worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.

